U - u

udu 1) znw. hout.
2) bnw. houten.
udubaki znw. houten bak.
poti na udubaki gezegde. bekendmaken. Efu yu no wani meki yu tori waka, no poti en na udubaki. Als je mensen je prive leven niet wil laten weten, moet je het niet in een houten schaal tentoonstellen (d.w.z. niet bekendmaken).
udubangi znw. zitplaats van hout.
udubari znw. houten vat.
uduloso 1) znw. termiet, houtluis. (O. Isoptera).
2) znw. houtboorder (een insectsoort).
udusiri znw. afval van de houtboorders, het zijn kleine ronde balletjes. Yu mu spoiti a kasi. A lai nanga udusiri. Je moet de kast spuiten. Het zit vol afval van houtboorders.
uku1 znw. hoek. Den boi lobi fu tnapu tapu uku e luku den sma di e psa. De jongens houden ervan om op de hoek te staan en naar de voorbijgangers te kijken. Zie: tinpasi.
uku2 1) znw. hengel (hengelstok met draad en haak). A teki en uku nanga beti dan a go na libakanti. Hij nam zijn hengel en zijn aas en ging naar de rivier.
2) ww. hengelen. A go uku na libakanti. Hij is gaan hengelen langs de rivier.
ukutifi znw. hoektand. syn: aitifi.
ukutiki znw. hengelstok.
uma 1) znw. vrouw. syn: frow; cpart: man1. Var.: umasma.
2) znw. getrouwde vrouw, echtgenote. cpart: masra1.
uma-awege znw. een verwijfde man.
umapikin 1) znw. meisje. Na den Lomsu skoro den manpikin e weri blaw syatu bruku èn den umapikin e weri wan blaw koto. Op de Katholieke scholen dragen de jongens een blauwe korte broek en de meisjes een blauwe rok.
2) znw. dochter. Kobi ben abi tu manpikin nanga wan umapikin. Kobi had twee zonen en een dochter. cpart: manpikin. Morph.: compound. Zie: Zie tabel onder: famiriman.
umapresi znw. vrouwelijk geslachtsdeel. cpart: manpresi.
umasma 1) znw. vrouw, het vrouwelijk geslacht.
2) bnw. vrouwelijk, vrouwen. cpart: mansma; syn: frow. Var.: uma.
umasma-datra znw. vrouwenarts.
umasrafu znw. slavin.
umawan znw. vrouwelijke, wijfje. A:Sortu dagu a teki? B:A teki a umawan. A: Welke hond heeft hij genomen? B: Hij heeft het wijfje genomen. ant: manwan.
un Zie trefwoord: unu. pers.vnw. 2de persoon meervoud vnw; ook bezittelijk gebruikt.
unsrefi 1) wederkerend.vnw. uzelf, elkaar (2de persoon meervoud wederkerend vnw).
2) wederkerend.vnw. onszelf, elkaar (1ste persoon meervoud wederkerend vnw). syn: wisrefi.
unu 1) pers.vnw. 2de persoon meervoud vnw; ook bezittelijk gebruikt. Mi no man go nanga unu tide. Ik kan vandaag niet met jullie meegaan. Var.: un.
2) pers.vnw. 1ste persoon meervoud vnw; ook bezittelijk gebruikt. Mi heri famiri kon na a friyari-oso. Un prisiri sote! Mijn hele familie was op het verjaardagsfeest. We hadden een fijne tijd. Den no tyari a gasbom gi unu ete. Ze hebben de gasbom nog niet voor ons gebracht. Zie: wi.
upru znw. hoepel.
urei tw. hoera.
uru Zie trefwoord: huru. ww. hoeren.
urufrow Zie trefwoord: huru. znw. hoer, slet.
urulibi Zie trefwoord: hurulibi. znw. ontucht, hoererij, promiscue gedrag.
Copyright © 2003