P - p

Pa titel. aanspreektitel voor een vooraanstaand persoon. Zie: Tata; Ba1; Ma1; Sa1; Zie tabel onder: famiriman.
padi znw. padie, ongepelde rijst.
pagara 1) znw. vuurwerk streng.
2) znw. groot vuurwerk. Zie: bombel; finpeiri.
pai 1) ww. betalen. Fosi yu ben pai den botoman wan kwartyi fu abra a liba. Vroeger moest je de bootslieden een kwartje betalen om de rivier over te kunnen steken.
2) znw. betaling, loon. Te mun tapu den wrokoman e kisi den pai. Eind van de maand krijgen de arbeiders hun loon. syn: moni.
3) znw. offer aan een god of geest.
tyari wan pai gezegde. een offer brengen. Di a bonuman koti a luku, a taigi mi tak' mi mus tyari wan pai. Toen de medicijnman zijn diagnose gesteld had, zei hij me dat ik een offer moest brengen.
paiman 1) znw. schuld. Mi no kan kba ala mi moni, bika mi mu pai someni paiman ete. Ik kan niet al mijn geld opmaken, want ik heb nog heel wat schulden te betalen.
ferplekti paiman gezegde. een schuld waar je niet onderuit kan komen.
2) znw. betaling, beloning. Te wi tnapu na fesi Gado, dan wi alamala o kisi a paiman fu den sani san un ben du. Wanneer we voor God staan, dan zullen we allemaal de beloning krijgen voor de dingen die we gedaan hebben.
pakani-aka znw. wurgarend. Morphnus guianensis (Accipitridae).
paki 1) znw. pak, pakje. Omu abi sukru, ma a o seri wan paki nomo gi yu. De winkelier heeft suiker, maar hij verkoopt maar één pak per persoon.
2) znw. pak. Domri e weri wan blaka paki tide. De dominee draagt vandaag een zwart pak.
pakira znw. halsband pekari. Tayassu tajacu (Dicotylidae). Zie: pingo.
pakro 1) znw. verzamelnaam voor verschillende soorten slakken. (Kl./Cl. Gastropoda).
2) znw. slakkenhuis. Zie: skropu.
pakro-aka znw. slakkenwouw. Rostrhamus sociabilis (Accipitridae).
paksoi znw. een soort bittere bladgroente. Brassica chinensis (Brassicaceae).
palmbon znw. diverse geslachten en soorten palmbomen. (Palmae). spec: bambam-maka; bugrumaka; keskesmaka; kronto; kumbu; maripa; morisi; obe; pramaka.
Palmsonde znw. Palmzondag. Zie: Paska.
palmtaki znw. tak van een palmbon.
palulu 1) znw. paloeloe. Heliconia soorten/species (Musaceae).
2) znw. grote paloeloe. Phenakospermum guianense (Strelitziaceae). Ook bekend als bigipalulu.
pampun znw. pompoen. Cucurbita moschata (Cucurbitaceae).
pan znw. open pan (met of zonder steel). Zie: patu.
pangi znw. lendendoek, omslagdoek (meestal gedragen door boslandcreoolse vrouwen). Zie: kamisa.
pankuku znw. pannekoek.
panti 1) ww. verpanden. Mi no ben abi moni so mi panti mi keti. Ik zat zonder geld dus heb ik mijn ketting verpand.
2) znw. pand. Mi kan gi yu a moni, ma dan yu mu libi wan sani leki panti na baka. Ik kan je het geld lenen, maar dan moet je iets als pand achterlaten.
poti ... na panti gezegde. iets als onderpand geven. A: San psa? Yu lasi yu oloisi? B: No, mi poti en na panti. A: Wat is gebeurd? Ben je je horloge kwijt? B: Nee, ik heb hem in pand afgestaan.
panti-oso znw. pandjeshuis, leenhuis. Spelling variation: pant'oso
pant'oso Zie trefwoord: panti-oso. znw. pandjeshuis, leenhuis.
panya 1) ww. verspreiden, uitspreiden. A nyunsu panya ini a foto. Het nieuws is over de hele stad verspreid. A oli panya tapu a watra. De olie spreidde zich uit over het water.
2) ww. uit elkaar vallen, opblazen, verpletteren. Den sutu a boto panya. Ze hebben de boot opgeblazen. A grasi fadon panya. Het glas is versplinterd.
panya opo priti opo gezegde. spannend zijn, een bijzondere geval zijn. Sonde mi o go na Colakreek, want na tin pokugrupu o de dape. Dan na panya opo priti opo. Zondag ga ik naar Colakreek, want er zullen tien muzikale groepen daar zijn. Het gaat spannen daar.
panya-agra znw. hagelkorrel, schroot. Zie: tumofo gon.
panyapanya 1) ww. ordeloos verspreiden. Te mi m'ma e bori, a e panyapanya dotisani ini a heri kukru. Als mijn moeder kookt, verspreidt ze het vaat ordeloos in de hele keuken.
2) bw. ordeloos verspreid. Ala pisi fu a motor dya, ma den didon panyapanya ini a kamra. Alle onderdelen van de motor zijn er, maar ze liggen hier en daar verspreid in de kamer.
papa1 1) znw. pap.
2) bnw. papperig. Var.: papapapa.
papa2 znw. vader. Gebruik: de eerste klinker wordt meestal niet uitgesproken. Zie: Zie tabel onder: famiriman. Spelling variation: p'pa
papapapa Zie trefwoord: papa2. bnw. papperig.
papasneki znw. tapijtslang, boa constrictor. Boa constrictor (Boidae). Ook bekend als daguwesneki of gadosneki.
papaya1 znw. papaja. Carica papaya (Caricaceae).
papaya2 znw. gevlochten slaapmat. Tide neti mi o bradi wan papaya gi den pikin, meki den kan sribi. Vanavond zal ik een slaapmat spreiden voor de kinderen, zodat ze erop kunnen slapen. Zie: bedi.
papayabon znw. papajaboom. (Caricaceae).
papira 1) znw. papier.
2) znw. diploma, document. Den papira fu yu no bun. Je documenten zijn niet in orde.
papira moni bankbiljetten. Zie trefwoord: papira moni.
papira-owru znw. houwer met een brede punt.
papitodo znw. onkruidkikker. Scinax rubra (Hylidae).
paragrasi znw. grassoort. Brachiaria purpurascens (Gramineae).
parakoranti znw. groot cassavebrood. Zie: kasababrede.
paramarkusa znw. een zoete markoesasoort die voornamelijk voorkomt in het savannegebied van Para; de zoete oranje vruchten kunnen zo uit de hand gegeten worden. Passiflora laurifolia (Passifloraceae). Zie: markusa.
Paranengre znw. bewoner van de Parastreek.
paranoto znw. paranoot. Bertholletia excelsa (Lecythidaceae). Ook bekend als inginoto. Zie: noto.
pardon 1) znw. vergiffenis.
gi ... pardon ww. vergeven, vergiffenis schenken. A mama gi a pikin pardon fu den ogri san a ben du. De moeder vergaf het kind het kwade dat ze gedaan had.
2) tussenw. pardon, excuseer. Pardon, meneer. Yu kan dribi pikinso? Pardon, meneer. Kunt u wat opschuiven?
parelkrara znw. parel.
pari 1) ww. pagaaien, met een pagaai roeien. Na wan switi sani fu si fa den busnengre e pari den kruyara. Het is fijn om te zien hoe de bosnegers hun korjalen met pagaaien roeien.
2) znw. pagaai. Den busnengre lobi fu moimoi den pari. De bosnegers houden ervan om hun pagaaien te versieren.
pasa1 Zie trefwoord: psa1. ww. gebeuren, vóórkomen.
pasa2 Zie trefwoord: psa2. voorz. voorbij, langs.
pasensi znw. geduld. Den pikin fu a ten disi no abi pasensi. Den wani ala sani wantewante. Kinderen van deze tijd hebben geen geduld. Ze willen alles direkt hebben. Odo: Te yu abi pasensi, yu o si mira bere. Spreekwoord: Als je geduldig bent zal je de buik van de mier zien. (d.w.z. Geduld is de sleutel der overwinning.)
pasi znw. weg, straat, pad.
gi pasi gezegde. toestemming geven. Lanti no gi den sma pasi fu seri sani na mofo-w'woyo. De regering heeft de mensen geen toestemming gegeven om hun waren voor de markt te verkopen.
koti pasi gezegde. uit de weg gaan, vermijden. Te a si mi, a e koti pasi gi mi. Als hij me ziet, gaat hij me uit de weg.
lasi pasi gezegde. verdwalen, verdwaald zijn. Den sma dati sabi a busi. Noiti den lasi pasi. Die mensen kennen het bos. Ze zijn nooit verdwaald. Gebruik: (Het kan ook figuurlijk gebruikt worden.).
prati pasi gezegde. uit elkaar gaan. Te un doro tapu a uku, dan un o prati pasi. Als we op de hoek komen, gaan we uit elkaar.
syatu pasi gezegde. een kortere weg nemen. Efu un waka so wi o doro lati. Kon un syatu pasi. Als we zo lopen komen we laat aan. Laat ons een kortere weg nemen.
tapu pasi gezegde. versperren. Someni langa mi ben mus tron basi fu mi afdeling, ma driktoro e tapu pasi gi mi fu di a no lobi mi. Reeds lang moest ik afdelingschef geworden zijn, maar de directeur houdt me achter omdat hij me niet mag.
teki pasi gezegde. weggaan. Di a si tak' a no man feni en drai dya, a teki pasi go na Guyana. Toen hij merkte dat hij hier zijn draai niet kon vinden, vertrok hij naar Guyana. Zie: gwe.
Paska znw. Pasen, Joods Paasfeest.
pastifi znw. spleet tussen de voortanden.
pata znw. gymnastiekschoen.
patata 1) znw. aardappel, patat. Solanum tuberosum (Solanaceae). Meki den nyan den ptata, mi sa nyan tonton. Gezegde: Laat hen hun patat maar eten. Ik zal tomtom eten. Var.: ptata1.
2) znw. bataat, zoete patat. Ipomoea batatas (Convolvulaceae). syn: swit'patata. Zie: napi; yamsi.
patataloso znw. grasluis. Trombicula soorten/species (Trombiculidae, O. Acari).
patawa znw. palmsoort (sap wordt bereid van de vruchten). Oenocarpus bataua; Oenocarpus oligocarpa (Palmae). Ook bekend als patawakumbu.
patron znw. patroon. syn: lai. Zie: kugru; bugru; agra; kroiti.
patu 1) znw. pot. Mi no bori mi patu ete. Ik heb nog niet gekookt (lett: Ik heb mijn pot nog niet gekookt.)
2) znw. knalpot.
patyapatya bnw. drassig. Baka a bigi alen, a heri bakadyari ben patyapatya. Na de zware regenval was het hele achtererf drassig. Morph.: redup.
pe 1) vragend.vnw. waar. Pe yu e go? Waar ga je naartoe?
2) bw. waar. Mi e tan pe a skowtu-oso de. Ik woon waar de politiepost is.
3) znw. plaats, plek. Mi no go no wan pe. Ik ben naar geen enkele plaats geweest. Gebruik: Het wordt in combinatie met andere woorden gebruikt, zoals: berpe 'begraafplaats', kowrupe 'schaduwplek', wrokope 'werkplaats', enz. syn: presi.
peipi1 znw. pijp, buis (van metaal of plastiek).
peiri znw. pijl. cpart: bo2.
pemba znw. witte klei, pijpaarde, kaolien. Var.: pembadoti.
pembadoti Zie trefwoord: pemba. znw. witte klei, pijpaarde, kaolien.
pen1 znw. pijn. Tye, Masra, pen e moro en tumsi! O, Heer, hij heeft hevige pijn! syn: skin-ati.
pen2 znw. stal, hok. Odo: Tranga no e tyari kaw go na pen. Spreekwoord: Niet met geweld leidt men een koe naar de stal.
pen3 znw. schrijfpen. Langa a pen gi mi, meki mi skrifi a sani. Geef me die pen zodat ik het kan opschrijven.
pen4 znw. wasknijper, waspen. Mi o anga den krosi. Pe den pen fu mi de? Ik ga de was ophangen. Waar zijn de wasknijpers van me?
peni bnw. gevlekt, gespikkeld. Var.: pen'peni.
penitigri znw. jaguar; deze naam wordt gebruikt om onderscheid to maken met de zwarte jaguars die ook voorkomen in Suriname. Panthera onca (Felidae). gen: tigri1.
pen'peni Zie trefwoord: peni. bnw. gevlekt, gespikkeld.
pepe znw. peet. Spelling variation: p'pe
pepre 1) znw. verzamelnaam voor verschillende pepersoorten; cayenne peper, spaanse peper. Capsicum frutescens (Solanaceae). spec: blakapepre; alatapepre; a-gi-uma-nen.
2) bnw. peperig. A nyanyan disi pepre tumsi gi mi. Dit eten is te gepeperd voor mij.
3) bw. moeilijk. A wroko pepre, yèrè. Het werk is moeilijk, hoor. syn: tranga; hebi.
4) bw. fel. A son pepre tide! De zon is fel vandaag! syn: krasi2; faya1; hati1.
peprementi znw. snoepgoed met pepermunt smaak en geur.
peprewatra znw. soep gemaakt van vis en peper.
peprewoisi znw. een kegelvormig gevouwen papieren zakje, peperhuisje. syn: pindapaki.
perki znw. pil, tablet.
pesi znw. erwten, bonen. (Papilionaceae). spec: blaka-ai-pesi; dyar'pesi; seibiyari; geripesi; grunpesi.
petepete bw. intensiteit van natheid. A heri pis'duku ben nati petepete. De hele luier was druipnat. Morph.: redup.
peti znw. put. Var.: watrapeti.
2) znw. bron.
pet'watra znw. putwater.
bw. stil; rustig, stil, kalm. Di a driktoro broko kon ini a kamra, ala sma kon . Toen de directeur de kamer plotseling binnenkwam, werd iedereen stil.
piaiman znw. priester van de Indiaanse godsdienst die ook fungeert als genezer van bovennatuurlijke ziektes. Ook soms gewoon piai genoemd.
piki1 1) ww. antwoorden. Ala leisi te mi taki nanga yu, yu no e piki mi. Altijd als ik tot je spreek, antwoord jij me niet. cpart: aksi2.
2) ww. melden. Te a kon dya, dan yu mus piki mi. Meld me wanneer hij hier gekomen is.
3) znw. antwoord. Mi kisi piki tapu a brifi di mi ben seni gwe. Ik heb antwoord gehad op de brief die ik had weggestuurd.
piki2 1) ww. oprapen, opnemen. Sanede meki te wan sani fadon na gron yu no e piki en? Waarom raap je nooit iets op als het gevallen is?
2) ww. plukken. Sanede yu e piki den grun froktu na a bon? Waarom pluk je de groene vruchten? syn: broko1.
3) ww. uitkiezen, uitzoeken. Un no o go onti nanga ala den man. Un o piki den moro bun wan. We zullen niet al de mannen op jacht meenemen. We zullen de beste uitkiezen.
4) ww. collekteren (geld). A de a gwenti te kerki e hori fu den sma piki moni. Het is de gewoonte, dat er tijdens een kerkdienst wordt gecollekteerd.
5) ww. uitlezen (van rijst, bonen, enz.). Yu mus piki a aleisi fosi yu e bori en. Je moet de rijst eerst uitlezen en dan koken.
pikin1 1) bw. klein. Ala dei den sma e kragi taki a brede kon pikin. Men klaagt elke dag dat het brood steeds kleiner wordt. ant: bigi; grani; hipsi. Zie: smara; mangri.
pikin2 1) znw. kind. Te den pikin tapu fo yari, den mus fu go na skoro. Als de kinderen vier jaar oud zijn, moeten ze naar school. ant: bigisma. Zie: Zie tabel onder: famiriman.
meki pikin gezegde. kinderen krijgen, bevallen van, verwekken. Dyonsro a frow o meki wan pikin. De vrouw moet straks bevallen van een kind. A e meki pikin leki alata. Ze krijgt kinderen als een konijn. syn: kisi pikin.
pikin pikin gezegde. kinds kinderen, nakomeling. Den seni kari ala bigisma, pikin, nanga pikin pikin fu a pranasi. Ze hebben alle volwassenen, kinderen en kinds kinderen van de plantage laten roepen. syn: bakapikin.
tapubere pikin gezegde. Kenneth de a tapubere pikin fu en mama. Kenneth is het laatste kind van zijn moeder. Spelling variation: tap'bere pikin
2) znw. meisje. masc: boi1; syn: umapikin; pikinmisi. Zie: uma; musye; frow; misi2.
3) znw. dieren jong. Son dagu no e beti. Ma te den abi pikin, dan den e krasi. Sommige honden bijten niet. Maar als ze kleintjes hebben, dan zijn ze agressief.
pikin wowoyo noodmarkt; markt zuid te Paramaribo. Zie trefwoord: pikin wowoyo.
pikinfinga znw. pink.
pikinfowru znw. zangvogeltje.
pikinkapasi znw. cabassou, naaktstaart gordeldier. Cabassous unicinctus (Dasypodidae). Zie: kapasi.
pikinman znw. een ondergeschikte, kleine man.
pikinmasra znw. jongeheer.
pikinmisi znw. jongedame, juffrouw.
pikinmisi-finga bakba znw. een bakovesoort met korte zoete vruchten. Musa soorten/species (Musaceae). Ook bekend als sukrubakba.
pikinmoni znw. kleingeld. Mi no abi pikinmoni na mi. Ik heb geen kleingeld bij me. Zie: sensi1.
broko ... na pikinmoni gezegde. iets beter uitleggen, duidelijker maken. Mi no e ferstan a tori so bun. I kan broko en gi mi na pikin moni? Ik kan je niet zo goed begrijpen. Kan je me het uitleggen? syn: brokobroko.
pikinnengre znw. kind. ant: bigisma. Var.: pikin2.
pikinpikin 1) bnw. heel klein. Fu sowan pikinpikin sani den e meki wan bigi trobi. Om zo'n kleine ding maken ze zoveel ruzie. syn: nyofi.
2) bw. van jongs af aan. Pikinpikin a boi disi bigin smoko. Van jongs af begon deze jongen te roken.
pikinsensi znw. kleingeld.
pikinso 1) bnw. een beetje, weinig. A fufuruman gwe nanga a pikinso moni san mi ben kibri. De dief is weggegaan met het klein beetje geld dat ik bewaard had. ant: furu.
2) bw. even, een beetje. A nyanyan kon kowru. Mi o skreki en pikinso gi yu. Het eten is koud geworden. Ik zal het een beetje voor je opwarmen.
pikintiki berpe znw. openbare begraafplaats waar armen door de overheid werden begraven. Te den taki a sma beri na pikintiki, dan dat' wani taki na lanti beri en. Als ze zeggen dat iemand begraven is te pikintiki, dan betekend het dat hij door de overheid is begraven. (hoogstwaarschijnlijk zogenoemd omdat er geen grafsteen werd geplaatst, maar slechts een houten paal).
pikintongo znw. huig.
pikinwan znw. de kleine of onbelangrijke. cpart: bigiwan.
pikin-watradagu znw. zwampotter, kleine surinaamse otter. Lutra enudris (Mustelidae). Het wordt ook gewoon watradagu genoemd als het niet nodig is hem te onderscheiden van de braziliaanse reuzenotter.
pikipikiplei znw. een spel of een team dat gevormd is uit de aanwezigen; uitzoekspel.
pikolet znw. dwergbisschop, zwartkopzaadkraker (zeer geliefd als zangvogel). Oryzoborus angolensis (Emberizidae).
pina1 1) ww. pinaren (Sur.), lijden (van pijn of gebrek). Efu yu no wani wroko, yu o pina. Als je niet wilt werken, zul je armoede lijden.
2) znw. leed, plaag.
3) ww. schaars zijn. Dis' ten sukru e pina ini a kondre. Tegenwoordig is de suiker schaars in het land.
4) bnw. armoede, armoedig. Mi e tan ini wan pina oso. Ik woon in een armoedig huis.
pina leki wan kerki-alata gezegde. arm zijn als een kerkrat.
pina2 znw. speld.
pina3 znw. palmsoort. Zie: pinabon.
pinablad znw. bladeren van de pinabon; ze worden gebruikt om kampen te bedekken en om tenten te versieren.
pinabon znw. pinapalm (de takken en bladeren worden gebruikt voor het maken van kleine hutten die men pinakampu noemt). Euterpe oleracea (Palmae). Ook bekend als prasarabon. Var.: pina3.
pinakampu znw. hutje gemaakt van bladeren van de pinapalm.
pinaman znw. de arm(st)en. syn: pôtiman; mofinawan. Var.: pinasma; pinawan.
pina-owrukuku znw. kattenoogslang. Leptodeira annulata (Colibridae).
pinapina ww. (voort)sukkelen, voortslepen. A oto fu mi broko. Mi o pinapina te mi kan meki en baka. Mijn auto is stuk. Ik zal zo doorsukkelen totdat het gemaakt is. syn: tingatinga. Morph.: redup.
pinasma Zie trefwoord: pinaman. znw. de arm(st)en.
pinaten znw. moeilijke tijd, tijd van armoede en schaarste. Winsi fa pinaten ben de ini a kondre, toku mi mama sorgu mi te mi kon bigi. Ondanks er een tijd van armoede en schaarste in het land was, heeft mijn moeder mij verzorgd totdat ik volwassen ben geworden.
pinawan Zie trefwoord: pinaman. znw. de arm(st)en.
pinawiki znw. lijdenstijd, de week tussen Palmzondag en Pasen.
pinda znw. pinda, aardnoot. Arachis hypogaea (Papilionaceae).
pindabrafu Zie trefwoord: pindasupu. znw. pindasoep; dikke soep tegenwoordig gemaakt van pindakaas met.
pindakasi 1) znw. pindakaas.
2) znw, bnw. oproer. Y'e meki leki pindakasi. Je maakt oproer (lett: je maakt als pindakaas). Den pindakasi Dyu. De oproermakers. Gebruik: wordt vaak gebruikt samen met het woord Dyu.
pindakuku 1) znw. koekje gebakken van deeg met gemalen pindas en voorzien van een halve pinda in het midden erop.
2) znw. koekje bestaande uit een plakje van licht gebrande pindas in gestolde suikerstroop.
pindasupu znw. pindasoep; dikke soep tegenwoordig gemaakt van pindakaas met stukjes vlees en tonton erin. Var.: pindabrafu.
pingi 1) ww. knijpen. Son sma lobi pingi pikin-nengre na den seifesi te den e prei nanga den. Sommige mensen houden ervan om kinderen in hun wang te knijpen als ze met hen spelen.
bere pingi gezegde. lichte buikpijn. Ala leisi te mi dringi dyindyabiri, mi bere e pingi mi. Telkens als ik gemberbier drink, krijg ik lichte buikpijn.
2) ww. tokkelen (van een gitaar). A switi fu arki fa a boi disi e pingi a gitara. Het is prettig om naar te luisteren hoe deze jongen op zijn gitaar tokkelt.
3) znw. tip, wenk. Skowtu kisi wan pingi pe a fufuruman e kibri. De politie kreeg een tip waar de dief zich schuil hield.
4) ww. een wenk of tip geven. Wan sma pingi mi tak' tra mun den o opo un moni. Iemand heeft me getipt dat ze volgende maand ons salaris zullen verhogen.
pingo znw. witlip pekari. Dicotyles pecari (Dicotylidae). Zie: pakira.
pipa 1) znw. pijp (om tabak te roken).
2) znw. pistool. A fufuruman e hori wan pipa na a man sei-ede. De dief houdt een pistool tegen het hoofd van de man.
3) ww. naar lucht happen (als bij vissen op het droge); (fig.) op sterven liggen. Di mi go luku mi omu na at'oso, a ben e pipa. Toen ik bezoek bracht aan mijn oom in het ziekenhuis, lag hij op sterven.
4) ww. pijp (om tabak te roken). syn: dyonko.
pipatodo znw. pipa, surinaamse pad. Pipa pipa (Pipadae). Ook bekend als swamputodo of watratodo.
pipel znw. volk, natie, bevolking, bevolkingsgroep. syn: folku. Zie: sma. Van: Eng. Etym.: people .
pipi znw. penis. syn: toli; toitoi.
pipikowsu znw. condoom. Gebruik: men zegt meestal gewoon kowsu.
pir'ede bnw. kaalhoofdige. A: Suma mi mu aksi? B: Aksi a pir'ede man san e wroko drape. A: Wie moet ik vragen? B: Vraag de kaalhoofdige man die daar werkt.
piren znw. pirana. Serrasalmus soorten/species (Serrasalmidae).
piri 1) ww. schillen, pellen. Den boi e piri a buba fu a manya nanga den tifi. De jongens schillen de manja's met hun tanden.
2) ww. opensperen, spreiden. Yu mu leri yu umapikin tak' te a sidon, a no mus piri en futu. Je moet je dochter leren dat ze haar benen niet moet spreiden als ze zit.
3) ww. vervellen, afschilferen. Mi skin bigin piri fa mi waka ini a son. Mijn huid begint te vervellen omdat ik in de zon heb gelopen.
4) ww. kaal worden. Furu man-nengre e bigin piri te den tapu fotenti yari. Veel mannen beginnen kaal te worden op veertig jarige leeftijd. Zie: pir'ede.
piri ... ai met grote ogen bekijken. Zie trefwoord: piri ... ai.
piri ... ede het hoofd kaal scheren. Zie trefwoord: piri ... ede.
piri ... tifi 1) lachen.
2) grijnzen. Zie trefwoord: piri ... tifi.
piri ai gi goed opletten, in de gaten houden. Zie trefwoord: piri ai gi.
piri-ai gi 1) ww. vermanen, waarschuwen, berispen. Mi o pir'ai gi en! Ik zal hem vermanen! syn: warskow. Spelling variation: pir'ai gi
piriskin znw. droge huid.
wan piriskin dagu znw. een schurftige hond met kale plekken.
wan piriskin vijf gezegde. een magere vijf.
pir'neki znw. naakthalskip. Gallus domesticus (Phasianidae).
pir'piri 1) bnw. schilferig.
2) bnw. licht van kleur. Morph.: redup.
pir'tifi znw. grijns. Odo: Ala pir'tifi a no lafu. Spreekwoord: Niet alles wat blinkt is goud.
pis'duku znw. luier. Yu kenki a nati pis'duku gi a pikin kba? Heb je de natte luier van het kind al verwisseld?
pisi1 znw. stuk, deel. Gi mi wan pisi kuku. Geef me een stuk koek.
pisi2 1) znw. urine.
2) ww. urineren, plassen.
pisi gron perceel, een stuk land. Zie trefwoord: pisi gron.
pisi na en tere uitschelden. Zie trefwoord: pisi na en tere.
pis'patu znw. po, nachtpot. syn: akuba dyendyen.
pis'pisi1 1) znw. stukjes, flarden. Te yu kba dya, yu mu tyari ala den pispisi gwe. Als je klaar bent moet je al die stukjes wegbrengen.
2) bw. aan stukjes. A grasi fadon broko pispisi. Het glas is in stukjes gebroken. Morph.: redup.
pis'pisi2 ww. hier en daar plassen. Weri wan bruku gi a pikin noso a o pis'pisi a heri oso. Doe dat kind een broek aan, anders zal ze het heel huis bepissen.
pisten znw. tijdje, tijdstip. Mi e go tan fu wan pisten na Matreti. Ik ga voor een tijdje op Ma Retraite wonen.
a (srefi) pisten dati vw. inmiddels, ondertussen.
planga1 1) znw. plank. A temreman sa a planga ini fo pisi. De timmerman zaagde de plank in vier stukken. Zie: bowtu3. Var.: pranga.
2) ww. iemand met een plank slaan. Mi o planga yu. Ik ga je met een plank slaan. Gebruik: wakaman taal.
planga2 znw. bankbiljet van honderd gulden. Gebruik: wakaman taal. syn: barki2.
plata 1) bnw. plat, laag. Mi e tan ini wan plata oso. Ik woon in een laagbouw woning. A wenkri abi wan plata stupu fesi a doro. Voor de deur van de winkel is er een lage stoep. ant: hei1.
2) bnw. ondiep, plat. Yu kan poti a nyanyan san libi ete ini wan plata baki. Je kan de etensresten in een platte bak zetten. Yu no kan poti supu ini wan plata preti. Je kan geen soep in een ondiep boord zetten. ant: dipi.
3) bnw. dun. Ala leisi a boi fu mi e suku den moro plata buku fu leisi. Mijn zoon zoekt elke keer steeds het platste boek uit om te lezen. Mi no o go na doro a wiki disi. Mi saka plata. Deze week ga ik niet uit. Ik ben platzak. ant: deki.
4) ww. plat maken, vlak maken. Plata den dosu dan yu no abi someni presi fanowdu. Maak de dozen plat dan heb je niet zoveel ruimte nodig.
5) ww. lager maken, verlagen. A stupu disi hei. Yu mu plata en pikinso. Deze stoep is hoog. Je moet hem wat lager maken. syn: lagi; ant: hei1.
6) ww. laag worden. Te a drei hori langa, dan a watra ini a kriki e plata. Als de droogte lang aanhoud, wordt het water in de kreek laag.
7) ww. egaliseren, gelijk maken. Fosi mi bigin bow mi yuru wan traktor fu plata a gron. Voor ik met bouwen ben begonnen, heb ik een traktor gehuurd om het perceel te egaliseren.
plata broki platte brug, waar er kleine boten in- en uitgeladen worden. Zie trefwoord: plata broki.
plata-ede-kwikwi znw. een slanke zoetwater pantsermeervalsoort met een platte kop en een ronde staartvin. Callichthys callichthys (Callichthyidae).
plei1 ww. bedriegen. A man plei mi. Sensi di mi gi en a moni fu ferfi a oso, mi no si en moro. Die man heeft me bedrogen. Sinds ik hem het geld gegeven heb om mijn huis te verven, heb ik hem niet meer gezien. syn: bedrigi.
plei2 znw. plee, toilet, w.c. Van: NL.
plekti znw. plicht, verplichting. A no mi plekti fu kiri a airco te mi e gwe. Het is niet mijn plicht om de airco uit te doen als ik wegga. Wan sma mus sabi en leti, ma a mus sabi en prekti tu. Men moet zijn rechten kennen, maar ook zijn plichten. syn: ferplekti. Spelling variation: prekti
plen1 idiofoon. geluid gemaakt door een bel, cimbaal of deksel. Var.: plenplen2.
plen2 Zie trefwoord: pren. znw. plein.
plenplen1 znw. Javaanse gezouten wafel. Morph.: redup.
plenplen2 Zie trefwoord: plen1. idiofoon. geluid gemaakt door een bel, cimbaal of deksel.
ploi 1) ww. plooien.
2) znw. plooi, rimpel. Mi gi a brukubere tu ploi fu a sidon pikin moro span. Ik heb de broek met twee plooien bij de buik ingenomen zodat hij wat strakker zit. Zie: kroiki1.
ploiploi bnw. gerimpeld, rimpelig. ploiploi anu gerimpeld hand Var.: proiproi.
podosiri 1) znw. vrucht van de pinapalm.
2) znw. sap gehaald uit podosiri.
poisi 1) znw. puistje, pukkel.
2) znw. vetpuistje, meeëter.
poko ww. balanceren. A boi e poko tapu a baisigri. De jongen balanceert op de fiets.
tan poko gezegde. blijven zitten, niet over gaan. syn: tan sidon.
tan poko Jantje gezegde. een blijvenzitter. Yu tan poko Jantje yu! Jij blijvenzitter! Gebruik: treiternaam.
poku 1) znw. muziek.
naki poku ww. muziek maken op slaginstrumenten.
2) znw. een plaat, cassettebandje of CD. A poku kon na doro kba. De CD is al uitgekomen.
drai poku ww. muziek afdraaien.
pokudosu znw. radio.
pokuman znw. muzikant.
pomerak znw. pommerak, de peervormige vruchten zijn dieprood en ongeveer 7 cm lang. Syzygium malaccense (Myrtaceae).
pompu 1) znw. pomp.
2) ww. pompen, opblazen. Luku, a banti fu yu plata. Tyari en go pompu na Esso. Kijk, je band is zacht. Ga het oppompen bij de Esso.
pomusteri znw. pomme de cythère. Spondias cytherea (Anacardiaceae).
pon znw. gerecht bereid uit geraspte pomtajer.
pondo 1) znw. aak. Baka di den lai a pondo nanga bauxiet, wan boto pusu en go na Paranam. Nadat men de aak met bauxiet had geladen, werd het door een boot naar Paranam geduwd.
2) ww. pont, veerboot. Fosi den bow a broki, den sma ben abra a liba nanga pondo. Voordat de brug gebouwd was, stak men de rivier met de veerboot over.
ponpon1 znw. pompelmoes. Citrus grandis (Rutaceae). Zie: alanya; apresina; lemki; strun.
ponpon2 1) znw. kuiforopendola (vogelsoort). Psarocolius decumanus (Icteridae).
2) znw. groene oropendola (vogelsoort). Psarocolius viridis (Icteridae). Ook bekend als busi-ponpon.
pontaya znw. cultuurvorm van een soort tajer met een zeer grote, bovengrondse knol. Xanthosoma sagittifolium (Araceae).
pontu 1) znw. gewichtsmaat van één pond (500 gram). Wan kilo abi tu pontu. Er gaan twee ponden in een kilogram. Zie: gran1; kilo.
2) znw. gewicht. A boi fu yu tyari moi pontu kba. De jongen van je heeft al een aardig gewicht.
kisi pontu gezegde. geschikt geworden voor gebruik. syn: kari pontu.
popki znw. pop, beeld. Spelling variation: poptyi
popkipatu znw. op speelse wijze koken bij kinderen.
popokai znw. verzamelnaam voor verschillende papagaaisoorten. (Psittacidae). spec: kulekule; mason3.
popokaisneki znw. 1) groene lanspuntslang, papegaaislang. Bothrops bilineatus (Crotalidae).
2) groene boomboa. Corallus caninus (Boidae). Ook bekend als kadasneki of bigipopokaisneki.
3) slangsoort. Philodryas viridissimus (Colubridae).
4) slangsoort. Philodryas olfersi (Colubridae).
5) slangsoort. Leimadophis typhlus (Colubridae).
popokaitongo znw. papegaaietong. Heliconia psittacorum (Musaceae).
pori1 1) overg.ww. bederven. A man kon espresi fu pori un prisiri. De man is opzettelijk gekomen om ons plezier te bederven.
2) onoverg.ww. bederven. Yu no mu libi den apresina te den pori. Je moet de sinaasappels niet laten bederven. A libi pori. Het leven is slecht geworden. Gebruik: het kan ook figuurlijk gebruikt worden met de betekenis van 'slecht worden'.
3) bnw. bedorven. A no bun fu nyan pori meti. Het is gevaarlijk om bedorven vlees te eten. Var.: por'pori.
4) ww. uit elkaar gaan. Den tu sma pori. Die twee mensen zijn uit elkaar gegaan (d.w.z. zijn gescheiden). syn: prati.
pori2 1) ww. verwennen, bederven. Yu no mu pori a pikin tumsi. Bakaten yu no o man nanga en. Je moet het kind niet te veel verwennen. Later zal je hem niet meer aankunnen.
2) bw. verwend, bedorven. A pikin disi pori. A no wani du san yu e taigi en. Dit kind is verwend. Ze wil niet doen wat er gezegd wordt.
pori tifi rotte tand of kies. Zie trefwoord: pori tifi.
por'pori Zie trefwoord: pori1. bnw. bedorven.
porti Zie trefwoord: pôti. bw. arm, behoeftig.
portmoni znw. portemonnee.
Portogisi Zie trefwoord: Potogisi. znw. Portugees.
postu 1) znw. post, paal.
2) znw. balk. syn: barki1.
poti ww. zetten, leggen, stoppen, (in)doen. Poti a buku tapu a tafra. Leg het boek op de tafel.
pôti bw. arm, behoeftig. I no abi sari-ati gi mi? Mi pôti sote. Heb je geen medelijden met mij? Ik ben zo arm. ant: gudu. Zie: pina1. Var.: porti.
pôti mi gezegde. uitroep van ontkenning; Arme ik?, Wie ik? Var.: pôti fu mi.
tye pôti gezegde. uitroep van medelijden. Var.: ke pôti.
poti ... fertrow tapu vertrouwen op iemand of iets zetten. Zie trefwoord: poti ... fertrow tapu.
poti ... na panti iets als onderpand geven. Zie trefwoord: poti ... na panti.
poti ... na tesi iemand op de proef stellen. Zie trefwoord: poti ... na tesi.
poti ... na tesi iemand op de proef stellen. Zie trefwoord: poti ... na tesi.
poti ... sten stemmen (als bij een verkiezingen). Zie trefwoord: poti ... sten.
poti ... tapu en presi iemand op zijn nummer zetten. Zie trefwoord: poti ... tapu en presi.
poti faya gi in brand steken. Zie trefwoord: poti faya gi.
poti na udubaki bekendmaken. Zie trefwoord: poti na udubaki.
poti prakseri aandacht schenken, nadenken. Zie trefwoord: poti prakseri.
poti takru/ogri mofo kwaad veroorzaken door negatief erover te praten, ongeluk voorspellen. Zie trefwoord: poti takru/ogri mofo.
poti tapu asin in azijn laten trekken. Zie trefwoord: poti tapu asin.
poti yesi opmerkzaam luisteren. Zie trefwoord: poti yesi.
poti yesi arki Zie trefwoord: yesi. gezegde. Lett: Mijn oren zingt.
pôtiman Zie trefwoord: pôtisma.
pôtisma znw. armoedig persoon, behoeftige. Den e piki moni fu yepi den pôtisma na un mindri. Ze halen geld op om de behoeftigen onder ons te helpen. ant: gudusma; guduman. Var.: pôtiwan; pôtiman.
pôtiwan Zie trefwoord: pôtisma. znw. armoedig persoon, behoeftige.
Potogisi 1) znw. een afstammeling van de Portugese Joden in Suriname.
2) bnw. behorend tot de Portugese Joden.
3) znw. portugees. Yu e feni wan lo sma san e taki potogisi na Tourtonne sei. Je treft veel mensen die portugees spreken in de buurt van Tourtonne aan. Var.: Portogisi.
pototo znw. spullen, rommel. Mi o teki ala mi pototo dyaso dan mi o gwe. Ik zal al mijn spullen van hier weghalen, en weggaan. Gebruik: meestal wordt het negatief gebruikt. Zie: samasama; bondru; taitai; bagasi.
powa znw. biceps. Zie: anu1.
tyari powa gezegde. sterk zijn. A man disi tyari powa. Deze man is sterk.
powema znw. gedicht. Var.: puwema.
powema-man znw. dichter.
powisi znw. zwarte hokko. Crax alector (Cracidae).
p'pa1 znw. vader. (wisselvorm van papa). Zie: Zie tabel onder: famiriman.
prakiki znw. verzamelnaam voor verschillende parkietsoorten. (Psittacidae).
prakseri 1) ww. denken. Mi no prakseri tak' mi o kmopo na oso tide. Ik denk niet dat ik van huis ga vandaag. Zie: denki.
2) ww. peinzen, piekeren. San yu e sidon prakseri so? Waar zit je over te peinzen? Yu no mus prakseri a sani tumsi. Je moet niet te veel piekeren er over. A e sidon na prakseri broki. Gezegde: Hij zit te piekeren (lett: Hij zit op de gedachte brug.)
3) znw. gedachte. Di mi ben sidon luku teevee, nomo a kon ini mi prakseri fu bèl mi omu. Toen ik televisie zat te kijken, kwam het plotseling in mijn gedachten op om mijn oom te bellen. Mi ben kisi a prakseri kba tak' den bo seni un gwe. Het was al in me opgekomen (lett: ik had de gedachte al) dat ze ons zouden wegzenden.
4) znw. plan, voornemen. Mi no wani a man dati tron president. No wan fu den prakseri fu en bun. Ik wil niet dat die man president wordt. Geen van zijn plannen zijn goed. No meki a boi dati taki nanga yu pikin. A no abi bun prakseri. Laat die jongen niet tot je dochter praten. Hij heeft geen goede voornemens.
kon nanga wan prakseri idioom. met een voorstel komen, iets voorstellen. Di un no ben sabi san fu du, John kon nanga wan bun prakseri. Toen we niet wisten wat te doen, kwam John met een goed voorstel.
poti prakseri ww. aandacht schenken, nadenken. A no e poti prakseri tapu en wroko srefsrefi. Hij schenkt helemaal geen aandacht aan zijn werk.
prakseri go prakseri kon gezegde. overpeinzen, nadenken. Heri neti mi didon prakseri go prakseri kon san a man ben wani taki nanga a odo san a koti. Ik heb de hele nacht liggen peinzen wat de man met het spreekwoord bedoelde.
pramisi 1) ww. beloven. A pramisi mi tak' a no o dringi sopi moro. Hij heeft me beloofd dat hij geen alcohol meer zou gebruiken.
2) znw. belofte. A gi mi a pramisi tak' a o kon fruku na oso. Hij heeft me de belofte gegeven dat hij vroeg thuis zou komen.
pranasi znw. Een stuk grond waar vroeger een landbouwonderneming (plantage) stond. Vaak wonen nu nog maar enkele mensen daar die afstammelingen zijn van de vroegere bewoners. Pranasi zijn te vinden in de distrikten Para en Coronie, en ook langs de Suriname-, Commewijne-, en Saramaccarivier, waar de vroeger plantages stonden tijdens de slaventijd. In slechts enkele van de oude pranasi doen ze nu nog landbouw op grote schaal. De pranasi's hebben een eigen beleidssysteem dat bestaat naast de overheid.
broko pranasi gezegde. een plantage die niet meer bewoond is.
pranga Zie trefwoord: planga1. znw. plank.
prani 1) ww. planten. Prani den bon na bakadyari. Plant die bomen op het achtererf. ant: koti1. Zie: sai.
2) ww. beplanten. Baka di den puru ala den ksaba, dan den prani a heri gron baka nanga ksaba. Nadat ze de cassave geoogst hadden, beplantten ze de hele kostgrond weer met cassave.
pranpran 1) znw. ophef. Te yu e gi wan pôtisma wan sani, no du en nanga pranpran. Als je een arme iets geeft, doe het dan niet met ophef.
2) znw. versiering, versierselen. O moro den sani lai pranpran, o moro den lobi en. Hoe meer de dingen versierd zijn, des te meer houden zij ervan.
pransun znw. spruit, jonge plant. Wantu wiki baka te a tayawiwiri sproiti, yu kan koti den pransun. Een paar weken nadat het tajerblad ontsproten is, kun je de jonge planten oogsten. Zie: sproiti.
prapi znw. Indiaanse schaal gemaakt van klei. syn: kroiki2.
prasara znw. afgehouwen stam van de prasarabon.
prasarabon znw. pinapalm (de takken en bladeren worden gebruikt voor het maken van kleine hutten die men pinakampu noemt). Euterpe oleracea (Palmae). Ook bekend als pinabon.
prasaradia znw. groot boshert. Mazama americana (Cervidae). Ook bekend als redidia. Zie: dia.
prasi1 znw. erf. Efu yu no hei a prasi fosi yu bow a oso, dan a oso o sungu te alen kon. Als je het erf niet ophoogt voordat je erop bouwt, zal het huis onderlopen als het regent. Wan fufuruman kon ini a prasi fu Fine. Een dief is op het erf van Fine gekomen. Gebruik: waar mensen wonen of kunnen wonen; de prasi kan nog onbebouwd zijn. syn: dyari.
prasi2 znw. harder(vis); hardervis (sn = aarde), verzamelnaam voor verschillende soort vissen van de familie Mugilidae. Mugil trichodon, Mugil incilis, Mugil curema (Mugilidae).
prasi-oso znw. kleine erfwoning. (het wordt meestal geassocieerd met een krotwoning). Zie: nengre-oso. Spelling variation: pras'oso
prasoro znw. paraplu, parasol.
prati 1) ww. delen, uit elkaar halen. Prati den tu pisi fisi na mindri dan yu e poti den ini a kasi. Snij de twee stukken vis doormidden en zet ze in de kast. Skowtu kon prati den tu boi di ben feti. De agenten hebben de twee jongens die aan het vechten waren uit elkaar gehaald.
2) znw. scheiding. Den tu man disi ben de bun mati te leki wan uma tyari prati kon na den mindri. Deze twee mannen waren dikke vrienden totdat een vrouw scheiding tussen hen bracht.
3) ww. delen, verdelen, uitdelen, distribueren. Teki den brede disi dan yu prati den gi den pôtisma. Verdeel deze broden onder de armen. Te yu e kisi wan switisani fu nyan, yu mu prati en nanga yu sisa. Wanneer je wat lekkers krijgt om te eten, moet je het met je zus delen. Nyanyan san prati moro switi. Gedeeld eten smaakt lekkerder.
abi prati gezegde. meedelen in iets; deel aan iets hebben. Den sma di yepi mi suku sa abi prati ini a gudu san mi o feni. De mensen die me helpen zoeken zullen meedelen in de schat die ik zal vinden.
teki prati gezegde. bijbetrokken in iets, deel uitmaken van iets. Den kari ala den sma di ben teki prati ini a wroko fu kon na fesi. Ze hebben iedereen die deel hebben uitgemaakt van het werk naar voren geroepen.
prati fatu aardig. Zie trefwoord: prati fatu.
prati libi echtscheiden. Zie trefwoord: prati libi.
prati pasi uit elkaar gaan. Zie trefwoord: prati pasi.
pratifasi znw. scheiding, verdeeldheid, tweedracht. Fu di den tu man no man agri, meki pratifasi kon ini a grupu. Omdat de twee mannen geen overeenstemming konden bereiken, kwam er verdeeldheid in de groep.
pratilobi znw. een soort wolfsklauw; het wordt in de zwarte magie gebruikt om scheiding te brengen tussen twee geliefden. Lycopodium cernuum (Lycopodiaceae).
prefu vw. in plaats van. Prefu yu sidon, betre yu bigin wroko. In plaats van te zitten, begin liever met werken.
prefuru ww. durven. Prefuru fu naki mi, dan yu o si! Durf me te slaan, dan zal je zien! syn: dorfu. Zie: pruberi; dek'ati.
prei 1) ww. spelen. Den pikin e prei na bakadyari. De kinderen spelen achter op het erf.
2) ww. beheksen, betoveren. Ala sma sabi tak' na prei den prei Ba Sjori meki a lasi a wroko. Iedereen weet dat Ba Sjori door hekserij zijn baan kwijt is.
3) ww. voor de gek houden. Di a boi no kon nanga a moni, a man kon ferstan tak' na prei a prei en. Toen de jongen niet met het geld kwam, begreep de man dat hij voor de gek was gehouden.
prei karta kaarten, kaartspelen. Zie trefwoord: prei karta.
preiki 1) ww. preken.
2) znw. preek.
preikiman znw. predikant.
preiprei 1) ww. voor de grap, niet ernstig, spelenderwijs. Preiprei fasi yu kan leri wan pikin wan sani. Spelenderwijs kun je een kind iets leren. Odo: Preiprei feti e kiri stondoifi. Spreekwoord: Spelenderwijs vechten is gevaarlijk (lett: maakt de steenduif dood).
2) bnw. doen alsof, voorwenden, onecht. Efu yu feni wan wroko na PPS yu e go, awinsi den sma e kari yu preiprei skowtu. Als je werk aangeboden wordt bij de PPS aanvaard je het, ook al noemt men je "namaak" politie.
preisani znw. speelgoed.
preiskoro znw. kleuter- of peuterschool. syn: yosyosi-skoro.
prekti Zie trefwoord: plekti. znw. plicht, verplichting.
pren znw. plein. Gebruik: nu zegt men liever plein. Var.: plen2. Van: NL. Etym.: plein .
prenki znw. prent, plaatje, tekening, foto. Spelling variation: prentyi
prenspari bnw. belangrijk. A moro prenspari nyunsu fu a dei den e bari te mamanten na radio. Het belangrijkste nieuws van de dag wordt 's morgens via de radio omgeroepen.
prentyi Zie trefwoord: prenki. znw. prent, tekening, foto.
presenti znw. geschenk. Gebruik: men zegt liever kado.
presi znw. plaats, ruimte. Te yu kba wasi den preti, yu mu drei den dan yu poti den na den presi. Als je de borden gewassen hebt, moet je ze afdrogen en op hun plaats zetten. Presi de ete. Er is nog plaats. Zie: pe. Van: Eng. Etym.: place .
wan presi znw. ergens. A ambra mus de wan presi. Mi ben poti en dya esde. De hammer moet ergens zijn. Ik heb het gisteren hier gezet.
no wan presi znw. nergens. Mi suku ala sei, ma mi no man feni en no wan presi. I heb overal gezocht maar ik kan het nergens vinden. Var.: no wan pe.
poti ... tapu en presi gezegde. iemand op zijn nummer zetten. Di a man ben wani du ferferi, a frow poti en tapu en presi. Toen de man lastig wilde doen, heeft de vrouw hem op zijn nummer gezet.
pret'duku znw. doek dat gebruikt wordt om o.a. vaatwerk af te drogen.
preti znw. etensbord. Gebruik: Men maakt onderscheid tussen diepe borden, dipi preti, die gebruikt worden om o.a. soep op te dienen, en platte borden, plata preti.
prijs1 znw. prijs (wat men wint; beloning voor een prestatie). A sma di wini e kisi wan prijs. De winnaar krijgt een prijs.
prijs2 znw. prijs (de kost van iets). Den opo a prijs fu oli agen. Ze hebben de prijs van benzine alweer verhoogd.
prijse ww. prijzen. A man disi du someni ogri. Ma di a dede, den prijse en leki en ben de a moro bun man fu a foto. Deze man heeft zoveel kwaad gedaan. Maar toen hij overleden was, prees men hem alsof hij de beste man van de stad was.
primisi znw. permissie, vergunning, toestemming. Lanti no gi den boi primisi fu seri sani na mofo wowoyo. De jongens hebben van de overheid geen toestemming om dingen voor de markt te verkopen.
printa znw. bladnerf (i.h.b.v. de cocospalm).
printasisibi znw. bezem gemaakt van samengebundelde nerven van cocosbladeren.
prisiri 1) ww. aangenaam vinden. Mi e prisiri te wan sma kari mi kon na en fesa. Ik vind het aangenaam wanneer iemand me op zijn feest uitnodigt. syn: breiti.
2) ww. pret maken, feest vieren. Wi kriorosma, un gro makandra, un kweki makandra, w'e nyan makandra, w'e prisiri makandra. Wij creolen, wij zijn met elkaar opgegroeid en opgevoed, we eten met elkaar en we maken pret met elkaar. No teki den problema weri na yu ede. Kon un go meki prisiri. Maak je niet druk om de problemen. Kom laat ons pret maken. syn: meki prisiri.
3) znw. plezier, pret. Mi no abi no wan prisiri moro nanga a wroko. Ik heb helemaal geen plezier meer in het werk.
abi prisiri ww. zich amuseren, plezier hebben in. Mi abi prisiri fu si fa den pikin e prei so moi. Ik amuseer me om te zien hoe de kinderen zo leuk spelen.
gi ... prisiri ww. blij maken, plezier geven. Ala leisi a e gi mi prisiri te a tyari en rapport kon na oso. Elke keer maakt hij me blij als hij zijn rapport thuis brengt.
prisirikawna znw. feestelijk kawinamuziek (niet voor culturele doeleinden).
pristeri ww. aanbieden. Te wan sma kon luku yu na oso dan na wan gwenti fu pristeri en wan sani fu dringi. Als iemand je thuis komt opzoeken, dan is het de gewoonte om hem iets te drinken aan te bieden.
prit'bere bw. plat op de buik terechtkomen. A fosi leisi di a meisje go swen, a dyompo prit'bere go ini a watra. De eerste keer toen het meisje ging zwemmen, is ze plat op haar buik in het water terechtgekomen.
prit'finga znw. voetschimmel.
priti 1) ww. scheuren. Priti wan pisi papira gi mi. Scheur een stuk papier voor me af.
2) bnw. gescheurd. Mi no o weri a priti empi dati. Ik ga dat gescheurde hemd niet aantrekken.
3) znw. scheur, barst. Den no meki a oso bun. Now a abi wan lo priti. Ze hebben het huis niet goed gebouwd. Nu zit het vol scheuren.
4) ww. splijten, kloven. priti a udu hout splijten syn: kweri.
priti opo ww. openscheuren.
priti ... skin een pakslaag geven. Zie trefwoord: priti ... skin.
prit'pangi bnw. openhartig, geen blad voor de mond nemen. Joosje prit'pangi. A e taki den sani leki fa den de. Joosje neemt geen blad voor de mond. Ze zegt de dingens zoals ze zijn.
prit'priti 1) bnw. aan flarden, gescheurd zijn. syn: frodyadya.
2) znw. barsten, scheuren. A ososkin lai prit'priti. De wanden van het huis zitten vol barsten. Morph.: redup.
proberi Zie trefwoord: pruberi. ww. proberen, trachten.
problema znw. probleem.
prodo 1) ww. pronken. Den boi lobi prodo nanga den moi wagi fu den. De jongens houden ervan om met hun mooie autos te pronken. syn: meki modo.
2) znw. pracht, praal. President kon nanga bigi prodo ini a kamra. De president kwam met grote praal de kamer binnen.
prodokaka znw. pronkster. Var.: prodomisi.
prodoman znw. pronker. Gebruik: meestal zegt men modoman.
prodomisi Zie trefwoord: prodokaka. znw. pronkster.
profeiti znw. profeet.
profen znw. geest van een overledene die niet gedoopt was in een christelijke kerk. gen: yorka. Zie: kabra.
profosu znw. guyanadolfijn. Sotalia guianensis (Delphinidae).
proiproi Zie trefwoord: ploiploi. bnw. gerimpeld, rimpelig.
pruberi ww. proberen, trachten. Mi ben pruberi fu kon esde na yu, ma mi no feni okasi fu kon moro. Ik probeerde gisteren bij jou te komen, maar het is me niet meer gelukt. Var.: proberi.
psa1 ww. gebeuren, vóórkomen. Yu yere san psa ini a kondre? Heb je gehoord wat er in het land is gebeurd? Var.: pasa1.
psa2 1) ww. voorbij gaan, langs gaan, passeren. Un psa a broki kba. We zijn de brug al gepasseerd. Wantu wiki psa fosi mi si a man kon baka. Er gingen een paar weken voorbij, voordat ik de man zag terugkeren.
2) voorz. voorbij, langs. Esde mi rei psa yu oso. Gisteren ben ik langs je huis gereden. Var.: pasa2.
di psa bw. terug, geleden. Tu wiki di psa Norbert kon na wroko baka. Twee weken geleden is Norbert weer aan het werk gekomen.
3) ww. overschrijden van een bepaalde waarde, passeren. Furu a batra te dya. Yu no mus psa a strepi. Vul de vles tot hier. Je moet de streep niet passeren.
4) vw. duidt aan dat het punt van vergelijking overschreden is. Mi brada langa psa tu meter. Mijn broer is langer dan twee meter. Zie: moro.
psa marki bw. buitengewoon, meer dan normaal. A bigi psa marki. Het is erg groot.
psa3 1) ww. doorlopen, doorheen gaan. Un ben mus fu psa ini a busi fu kon na a dorpu. We moesten door het bos gaan om het dorp te bereiken.
2) ww. doorbrengen. A kon dungru kba. Wi o abi fu psa a neti dyaso. Het is al donker. We moeten de nacht hier doorbrengen.
3) ww. doorstaan. No broko yu ede. Wi o psa a tranga ten disi owktu. Maak je niet bezorgd. We zullen ook deze moeilijke tijd doorstaan.
psa4 ww. behalen of slagen (van/voor een examen), overgaan. Efu yu no leri yu les, yu no o psa. Als je je les niet leert, zal je het niet halen. Zie: abra.
psa ... mofo iets doen wat verboden is. Zie trefwoord: psa ... mofo.
psa marki buitenmate, overmatig. Zie trefwoord: psa marki.
psa wan toko ruzie maken. Zie trefwoord: psa wan toko.
Ptata1 znw. Nederland. syn: bakrakondre. Var.: Patata; Ptatakondre.
ptata2 Zie trefwoord: patata. znw. aardappel, patat.
Ptatakondre Zie trefwoord: Ptata1. znw. Nederland.
pu znw. type van de fleskalebas met lange, knotsvormige vruchten. Lagenaria vulgaris (Cucurbitaceae).
puiri 1) znw. poeder.
2) znw. cocaïne. Gebruik: straattaal. Zie: weti.
3) ww. poederen, verpulveren. syn: masi.
puiriskrati znw. cacao in poedervorm. Zie: skrati.
puirisopo znw. poederzeep.
puirisukru znw. poedersuiker.
puru ww. weghalen. Puru a patu tapu a kasi gi mi. Haal de pot van boven op de kast voor me.
koti ... puru gezegde. wegsnijden; amputeren. A futu ben masi sote, taki na koti den ben abi fu koti en puru. Zijn voet was zodanig verbrijzeld, dat ze het maar moesten amputeren. A dyariman koti ala den taki puru san ben lai fowrudoti. De tuinman sneed al de takken weg die vol zaten met 'fowrudoti'.
puru ... bere aborteren, abortus plegen. Zie trefwoord: puru ... bere.
puru atibron tapu woede koelen. Zie trefwoord: puru atibron tapu.
puru mofo herroepen of intrekken van worden. Zie trefwoord: puru mofo.
puru smoko ww. rook uitlaten. Zie: smoko.
puru taki uiten. Zie trefwoord: puru taki.
puspusi znw. huiskat, poes. Felis catus (Felidae). Morph.: redup.
puspusi-owrukuku znw. kerkuil. Tyto alba (Tytonidae).
pusu ww. stoten, duwen. Di a bromfiets lon drei, mi ben abi fu pusu en go na oso. Nadat de bromfiets leeg gelopen was, moest ik hem naar huis duwen. Zie: trusu; syobu.
pusu puru ww. wegstoten, van zich afstoten. Di a frow si tak' na fasi a man ben wani fasi en, a pusu en puru na en tapu. Toen de vrouw merkte dat de man haar wou aanraken, duwde ze hem van zich af.
puwema Zie trefwoord: powema. znw. gedicht.
Copyright © 2003