G - g

gaba znw. houten rustbank, brits.
gado znw. God, god, godheid.
ala gado dei gezegde. elke dag, door God gegeven dag. Ala gado dei te mi kmopo na wroko, den pikin e gi mi ede-ati! Elke dag wanneer ik van het werk thuis kom, geven mijn kinderen me hoofdpijn! Gebruik: met nadruk.
Masra Gado znw. God, Here God.
Gadobuku znw. bijbel. syn: Gadowortu.
gadodede znw. plantsoort. Commelina nudiflora (Commelinaceae).
gadofowru znw. huiswinterkoning. Troglodytes aedon (Troglodytidae). Ook bekend als gadotyo of tyotyofowru.
Gadokondre znw. hemel.
gadomarki znw. moedervlek.
gadosneki znw. tapijtslang, boa constrictor. Boa constrictor (Boidae). Ook bekend als daguwesneki of papasneki.
gadotyo znw. huiswinterkoning. Troglodytes aedon (Troglodytidae). Ook bekend als gadofowru of tyotyofowru.
Gadowortu znw. bijbel.
gagu ww. stotteren. Di skowtu aksi a boi pe a feni a moni, a bigin gagu. A no ben sabi san fu taki. Toen de agent aan de jongen vroeg hoe hij aan het geld kwam, begon hij te stotteren. Hij wist niet uit zijn woorden te komen.
gangan znw. oudje, oud moedertje.
gansi znw. verzamelnaam voor verschillende ganssoorten. (Anatidae).
garden znw. gordijn. Zie: yarsin.
gari1 bw. gaar. Saka a faya ondro a patu, meki a aleisi gari. Zet het vuur onder de pot op spaar; laat de rijst gaar koken. ant: lala. Zie: klari. Van: NL. Etym.: gaar .
gari2 1) znw. geelzucht. Yu no mu nyan someni grun manya; yu o kisi gari. Je moet niet zo veel groene manja's eten, anders krijg je geelzucht.
2) znw. gal.
kari ... gari gezegde. opmaken voor een confrontatie.
gaw bw. snel, vlug. Mi si mi pikin brada go gaw na wenkri, ma a no kon baka ete. Ik zag mijn broertje vlug naar de winkel gaan, maar hij is nog niet teruggekeerd. syn: es'esi. Zie: wantewante.
gawgaw bw. heel snel. syn: es'esi.
Gayana znw. Guyana.
Gayanaman znw. iemand uit Guyana.
gebore ww. geboren zijn. Mi a no wan dorosei sma. Na dya mi gebore. Ik ben geen buitenlander. Ik ben hier geboren.
gengen Zie trefwoord: dyendyen. znw. bel.
ger' bana half rijpe banaan (het is net geel geworden en nog hard). Zie trefwoord: ger' bana.
geri bnw. geel. gen: kloru1.
geri-ede tingifowru 1) znw. grote geelkopgier. Cathartes melambrotus (Cathardidae). Het wordt ook gewoon tingifowru genoemd als het niet nodig is hem te onderscheiden van andere giersoorten. Zie: tingifowru. Spelling variation: ger'ede tingifowru
2) znw. kleine geelkopgier. Cathartes burrovianus (Cathardidae). Het wordt ook gewoon tingifowru genoemd als het niet nodig is hem te onderscheiden van andere giersoorten. Zie: tingifowru. Spelling variation: ger'ede tingifowru
gerikopro znw. geelkoper, brons.
gerikorsu znw. gele koorts.
gerimarkusa znw. een zure markoesasoort met ronde gele vruchten; het moes van de vruchten wordt gekookt met suiker om stroop te bereiden. Passiflora edulis (Passifloraceae). Zie: markusa.
geripesi znw. gele erwten. Zie: pesi.
gersi 1) ww. lijken op, schijnen. A meisje gersi en mama. Het meisje lijkt op haar moeder. Zie: agersitori.
2) ww. niet kunnen waar maken, fantaseren, verbeelden. A: Mi kan opo 180 kilo. B: Man, i gersi! A: Ik kan 180 kilo optillen. B: Je lijkt!
gesontu bw. gezond. Fu meki yu skin tan gesontu, yu mu nyan furu froktu. Om gezond te blijven moet je veel vruchten eten. A ekonomia fu a kondre kon gesontu baka. De economie van het land is weer gezond geworden. ant: siki. Var.: kusontu. Van: NL. Etym.: gezond . Spelling variation: gosontu
gi1 1) ww. geven. Gi mi wan golu. Geef me een gulden.
2) ww. voortbrengen. A bon disi no e gi bun nyanyan. Deze boom brengt geen goede vruchten voort.
gi2 voorz. voor, ten behoeve van, aan. Go bai wan brede gi mi. Ga een brood voor me kopen.
gi ... abra overleveren. Zie trefwoord: gi ... abra.
gi ... pardon vergeven, vergiffenis schenken. Zie trefwoord: gi ... pardon.
gi ... prisiri blij maken, plezier geven. Zie trefwoord: gi ... prisiri.
gi ... tori 1) verhalen vertellen.
2) iemand op zijn nummer zetten (de mond snoeren). Zie trefwoord: gi ... tori.
gi bere zwanger maken. Zie trefwoord: gi bere.
gi bigi nen iemand (ver)eren. Zie trefwoord: gi grani.
gi dyaranti garanderen. Zie trefwoord: gi dyaranti.
gi ensrefi abra zich overgeven. Zie trefwoord: gi ensrefi abra.
gi faya branden. Zie trefwoord: gi faya.
gi frantwortu verantwoording geven, rekenschap afleggen, verantwoorden. Zie trefwoord: gi frantwortu.
gi grani iemand (ver)eren. Zie trefwoord: gi grani.
gi granman-oso uitdrukking om aan te geven dat men het antwoord niet kent van. Zie trefwoord: gi granman-oso.
gi keti opwinden (van uurwerken). Zie trefwoord: gi keti.
gi mankeri verwonden. Zie trefwoord: gi mankeri.
gi odi groeten, de groeten doen. Zie trefwoord: taki ... odi.
gi pasi toestemming geven. Zie trefwoord: gi pasi.
gi rai adviseren, advies geven. Zie trefwoord: gi rai.
gi spoiti injectie geven. Zie trefwoord: naki spoiti.
gi tongo ontzettend huilen. Zie trefwoord: gi tongo.
gi wan anu een handje helpen. Zie trefwoord: yepi wan anu.
gi yesi verhoren. syn: yere1.
gitara znw. guitaar.
go ww. gaan. Den pikin e go na skoro. De kinderen gaan naar school.
go baka ww. teruggaan. ant: kon baka. Zie: gwe.
go na baka achteruit gaan. Zie trefwoord: go na baka.
go na doro op stap gaan. Zie trefwoord: go na doro.
go na fesi vooruit gaan, vooruit komen. Zie trefwoord: go na fesi.
go na loktu in de lucht springen. Zie trefwoord: go na loktu.
go na strati uitgaan. Zie trefwoord: go na strati.
go na waka op reis gaan. Zie trefwoord: go na waka.
go nanga baka Zie trefwoord: go na baka. gezegde. vooruit gaan, vooruit komen.
go sribi slapen gaan. Zie trefwoord: go sribi.
go teki ophalen. Zie trefwoord: go teki.
godo1 znw. bijen- of wespennest. Var.: waswas'godo.
godo2 znw. gedroogde uitgeholde kalebas. (het wordt bij het hengelen gebruikt om het aas erin te bewaren).
gogo znw. billen, zitvlak, achterste. syn: bakasei. Morph.: redup.
gogobonyo znw. staartbeen.
gogo-olo znw. aars. Gebruik: ruw taalgebruik; om het te verzachten gebruikt men "bille" uit het nederlands. syn: kaka-olo.
golu znw. gulden. Zie: Zie tabel onder: moni. Var.: kolu.
goma 1) znw. stijfsel (poeder of vloeibaar). Boi, lon go bai wan paki goma gi mi na sneisi. Jongen, haal snel en pak stijfel voor me bij de chinees. Te mi m'ma kba wasi den krosi moi dan a e poti den ini a beki nanga goma. Nadat mijn moeder de kleren gewassen heeft, zet zij ze in een bekken met stijfsel. het werd vroeger gemaakt van bittere cassave. Zie: stesre.
2) ww. stijven, door de stijfsel halen. Mi no lobi te mi m'ma goma mi krosi. Ik houd er niet van als mijn moeder mijn kleren stijft. syn: stesre.
gomakuku znw. koekjes oorspronkelijk gemaakt van stijfsel (goma) uit de bittere cassave (nu worden ze gemaakt van Maizena).
gomawiwiri znw. een soort bladgroente.
gon znw. geweer, pistool. Di a ontiman si a tigri, a lon teki en gon, dan a sutu a tigri kiri. Toen de jager de tijger zag, haalde hij snel zijn geweer en schoot de tijger dood. spec: dagadaga; ontigon; tumofo gon. Van: Eng. Etym.: gun .
gonini znw. harpijarend. Harpia harpya (Accipitridae).
gorogoro znw. keel(gat). syn: neki-olo. Morph.: redup.
gosontu Zie trefwoord: gesontu. bw. gezond.
gotro znw. goot. Te a alen kon hebi, dan ala den gotro e furu Als het hard regent raken alle goten vol.
gotromotyo znw. katoenvogeltie. Fluvicola pica (Tyrannidae). Ook bekend als katunfowru.
gowe Zie trefwoord: gwe. vw. Weg!
gowt'man Zie trefwoord: gowtuman. znw. gouddelver, goud zoeker.
gowtu 1) znw. goud.
2) bw. gouden.
wroko gowtu ww. goudwinnen. Furu Brasyonman kon dya fu wroko gowtu. Veel Brazilianen zijn hier gekomen om goud te winnen.
gowtuman znw. gouddelver, goud zoeker. Spelling variation: gowt'man
gowtuman mofo znw. witte, gescheurde mondhoeken als gevolg van vitaminegebrek. Ala dei yu e bori sowt'fisi. Dalek yu o kisi gowtuman mofo. Elke dag kook je gezouten vis. Straks krijg je gowt'man mofo.
gowtumoni znw. gouden muntstuk. Spelling variation: gowt'moni
gowtusani znw. gouden sieraden.
gowtusmeti znw. goudsmid. Spelling variation: gowt'smeti
grabu 1) ww. grijpen, pakken, beroven. Sanede yu e grabu a sani fu mi anu? Waarom grijp je dat ding uit mijn hand? syn: kisi2.
2) ww. begrijpen, vatten. Mi grabu a tori san a man ben ferteri. Ik heb het verhaal dat de man vertelde begrepen. syn: ferstan.
gran1 znw. gram. A Dyuka boi kon seri tin gran gowtu na foto. De jongen uit het binnenland kwam tien gram goud in de stad verkopen. Zie: kilo; pontu.
gran-2 voorvoegsel. Het wordt gebruikt bij zelfstandigenaamwoorden om aan te duiden dat diegene (b.v. granman, 'opperhoofd') of datgene (b.v. grankrutu 'hoogste gerechtshof') het belangrijkste of het grootste is.
granaki-apra znw. granaatappel.
granakibon znw. granaatappelboom. Punica granatum (Punicaceae).
granbun znw. avondmaal. Gebruik: (Alleen gebruikt binnen de Evangelische Broedergemeente, maar niet bekend daarbuiten.).
grandomri znw. opperpriester, hogepriester.
gran-edeman znw. opperhoofd.
grangran znw. droog struikgewas. A dagu lon a alata gwe ondro a grangran. De hond verjoeg de rat naar onder het droog struikgewas.
grani 1) bnw. bejaard, oud.
2) znw. eer. Na wan bigi grani efu den kari yu fu kon na granman-oso. Het is een grote eer als men je oproept om naar het presidentiëel paleis te gaan.
gi grani gezegde. iemand (ver)eren. I mu gi grani na Gado. Je moet God de eer geven. syn: gi bigi nen.
granisma znw. grijsaard, oudere.
grankownu znw. keizer, opperkoning.
granmama znw. grootmoeder, oma. Zie: Zie tabel onder: famiriman. Spelling variation: granm'ma
granman 1) znw. stamhoofd van de boslandcreolen.
2) znw. gouverneur. Gebruik: tijdens de koloniale tijd vertegenwoordigde de gouverneur de koning.
granman-kapasi znw. reuzengordeldier. Priodontes giganteus (Dasypodidae). Zie: kapasi.
granman-oso znw. residentie van de gouverneur tijdens de koloniale periode, nu bekend als het presidentiëel paleis.
gi granman-oso gezegde. uitdrukking om aan te geven dat men het antwoord niet kent van een opgeven raadsel. Yu e gi granman-oso? Geef je het op?
granmanpren znw. plein voor het paleis; nu wordt het genoemd onafhankelijkheidsplein. Gebruik: vroeger heette het paleis granman-oso, daarom noemde men het plein granmanpren.
granman-tingifowru znw. koningsgier. Sarcoramphus papa (Cathartidae). Het wordt ook gewoon tingifowru genoemd als het niet nodig is hem te onderscheiden van andere giersoorten. Zie: tingifowru.
granm'ma Zie trefwoord: granmama. znw. grootmoeder, oma.
granpapa 1) znw. grootvader, opa. Zie: Zie tabel onder: famiriman. Spelling variation: granp'pa
2) znw. oudje.
granpikin znw. kleinkind. Zie: Zie tabel onder: famiriman.
granp'pa Zie trefwoord: granpapa. znw. grootvader, opa.
grantangi znw. dank je wel, bijzondere dank. Grantangi gi ala sma san kon na mi friyari esde. Dank je wel voor een ieder die gisteren op mijn verjaardag is gekomen.
grasbarki znw. libel. (O. Odonata).
gras'grasi Zie trefwoord: grasigrasi. 1) bnw. grazig, onderwied.
2) znw. hoog gras, gras.
grasi1 1) znw. glas, scherven. Wan lo grasi ben de na gron. Er waren veel scherven op de grond.
2) znw. drinkglas, glas. Zie: kan2; krabasi.
grasi2 znw. gras. spec: gadodede; paragrasi; langagrasi; babun-nefi2; buskutugrasi; mangrasi.
grasigrasi 1) bnw. grazig, onderwied. A prasi gras'grasi. Het erf is onderwied. Morph.: redup. Zie: busbusi. Var.: gras'grasi.
2) znw. hoog gras, gras. Mi no lobi waka ini grasigrasi, bika sneki de dape. Ik houd er niet van om door hoog gras te lopen, want daar zijn er slangen. Var.: gras'grasi.
grat'fisi znw. katvis, ongeschubde vis. (Ariidae, Pimelodidae).
grat'grati ww. iets haastig strijken of gladstrijken (niet nauwkeurig). Grat'grati a yapon, bika un no abi furu ten moro. Neem de tijd niet om de jurk nauwkeurig te strijken, want we hebben niet veel tijd meer.
grat'hari bw. onomwonden, rechttoe rechtaan. Mi no draidrai, ma mi taigi en grat'hari san mi denki fu a tori. Ik heb er geen tijd over laten gaan, maar ik heb hem onomwonden gezegd wat ik van de zaak denk.
grati 1) bw. glad, vlak. A gron grati leki wan spikri. De vloer is zo glad als een spiegel. ant: grofu. Van: NL. Etym.: glad .
2) ww. uitglijden. A stupu nati. Luku bun tak' yu no grati. De stoep is nat. Pas op dat je niet uitglijdt!
grati fadon ww. uitglijden en vallen. Suma trowe a bakba buba dya! A meki mi grati fadon. Wie heeft die bacoveschil hier gegooid! Het heeft me doen uitglijden en vallen.
3) ww. gladstrijken (met de handen). A teki a papira, a grati en, dan a leisi san skrifi na en tapu. Hij nam het papiertje, streek het glad, en las wat erop geschreven stond.
4) ww. strijken (met strijkijzer). Grati a empi gi mi. Strijk het hemd voor me. syn: triki2.
5) ww. weggaan. A bun. M'o grati. Moro lati. Ok‚ ik ga weg. Tot later. Gebruik: straattaal.
grati wiwiri sluik haar. Zie trefwoord: grati wiwiri.
grebi znw. graf. Zie: berpe.
grebimofo znw. opening of ingang van het graf. Den waka kon te na grebimofo fu trowe den bromki tapu a dedekisi. Ze kwamen tot vlak voor de grafopening om de bloemen op de kist te werpen. Ferdi ben siki tranga, ma Gado puru en na grebimofo. Ferdi was erg ziek, maar met Gods hulp is hij aan de dood ontsnapt. Gebruik: het wordt ook figuurlijk gebruikt met de betekenis van ternauwernood aan de dood ontsnapt zijn.
grebi-olo znw. open groeve.
grebiston znw. grafsteen.
greni 1) znw. grendel.
2) ww. vastmaken met een grendel, grendelen. Greni a doro fu a no wai opo. Zet de deur op de grendel zodat hij niet open waait.
gridi 1) bnw. hebberig, hebzuchtig. A sneisi tapu uku gridi. Ala san a e seri moro diri. De chinees op de hoek is hebzuchtig. Alles verkoopt hij duurder.
2) bnw. gierig. A man disi abi moni ma a gridi tumsi fu yepi en eigi m'ma. Deze man heeft geld maar hij is te gierig om zijn eigen moeder te helpen. Zie: bowtu4; kundu3.
3) bnw. gretig, gulzig (wat eten betreft). No nyan leki Ba Gridi! Eet niet als Meneer de Gulzigaard! Van: Eng. Etym.: greedy .
gridifasi 1) znw. hebzucht.
2) znw. gierigheid.
gridiman znw. gierigaard, gulzigaard.
grikibi 1) znw. zwartgeletiran, grietjebie (zeer bekend om zijn "grietjebieroep"). Pitangus sulphuratus (Tyrannidae).
2) znw. vogelsoorten die op de echte grietjebie lijken maar de grietjebieroep niet hebben, zoals de tropische koningstiran, bekend als kronto grikibi, de bootsnaveltiran, bekend als bigimofo grikibi en de roestvleugeltiran, bekend als marechaussee grikibi.
grit'bana supu soep gemaakt met geraspte banaan. Zie trefwoord: grit'bana supu.
gritgriti znw. rasp. Morph.: redup.
griti 1) ww. raspen. Griti a kronto gi mi. Rasp de kokosnoot voor me.
2) ww. schuren, wrijven, schrobben. Griti a patu krin. Schuur de pot schoon. Den boi mus griti den skin bun te den e wasi, bika den prei heri dei ini a santi. De jongens moeten hun lichaam goed schrobben bij het baden, want ze hebben de hele dag in het zand gespeeld.
gro ww. groeien.
grofu 1) bw. ruw, onbeleefd. A pikin disi grofu; a no abi maniri. Dit kind is ruw; ze heeft geen manieren. Van: NL. Etym.: grof .
2) bw. grof, ruw, onbehouwen. Mi no man sidon tapu a ston; a grofu. Ik kan niet op de steen zitten, want het is ruw. ant: grati.
3) bw. groot. Mi o bai den apresina, bika den grofu moi. Ik zal de sinaasappels kopen want ze zijn mooi groot. ant: pikin1.
grometi znw. litteken dat is uitgegroeid.
gron 1) znw. grond, kostgrond, veld. A prani a siri ini a gron. Hij heeft het zaad in de grond geplant. Zie: pranasi; dyari; doti1; prasi1. Van: Eng. Etym.: ground .
pisi gron znw. perceel, een stuk land. Te yu wani wan pisi gron, yu mus go na Domeinkantoor. Wanneer je een stuk land wil kopen, dan moet je naar het Domeinkantoor gaan.
2) znw. grond, vloer. Te yu de na prasi nanga a pikin, i no mus meki a sidon tapu a gron. Wanneer je met het kind op het erf bent, moet je haar niet op de grond laten zitten. Dweiri a gron bika a doti. Dweil de vloer want het is vuil.
3) znw. beneden. Wi e sribi soso na sodro, den kamra na gron na fu wi fisiti. Wij slapen boven, de kamers beneden zijn voor onze gasten. ant: sodro.
4) znw. het begin of de achtergrond van een situatie. Yu no sa man koti a trobi disi efu yu no sabi a gron fu en. Je zal dit probleem niet kunnen oplossen, zonder dat je de achtergronden ervan weet. syn: rutu.
gronmama znw. godin van de grond.
gronman znw. landbouwer. Zie: buru.
gron-nyanyan znw. grondgewassen. Her'heri na wan switi nyanyan san yu e meki fu gron-nyanyan. Her'heri is een lekker gerecht dat je maakt van grondgewassen. spec: bana; napi; kasaba; swit'patata. Spelling variation: gron-nyan
grontapu 1) znw. wereld, aardbodem. Sranan na wan fu den moro pikin kondre fu a heri grontapu. Suriname is een van de kleinste landen ter wereld.
2) bnw. geweldig, ontzettend, erg. Di mi weri a nyun yapon go na kerki, den taigi mi dat a moi grontapu. Toen ik mijn nieuwe jurk naar de kerk had aangetrokken, zeiden ze dat het geweldig mooi is. syn: kfalek. Zie: srefsrefi.
gropesi znw. groentesoort (uitgelopen boontjes).
groskin 1) znw. koude rillingen, kippevel. A kino san mi go luku, a e gi groskin. De film waarnaar ik ben gaan kijken, geeft je koude rillingen.
2) ww. kippevel krijgen, kippevel geven, huivering. Mi skin gro di mi si a brudu. Ik kreeg kippevel toen ik het bloed zag. A sani san yu e du dape, a e gro mi skin. Wat je daar doet geeft me kippevel.
groto 1) znw. gerst.
2) znw. gepelde, geslepen en geglansde gerst; gort.
grubagruba bnw. te ongeduldig om iets gedetailleerd te doen. Henri no man du fin'fini wroko. A grubagruba tumsi. Henri is niet in staat om gedetailleerd werk te verrichten. Hij is er te ongeduldig voor. Morph.: redup.
gruma ww. schrobben op een wasplank. I mu gruma den krosi bun meki den kon krin. Je moet de kleren goed schrobben om ze schoon te krijgen. Var.: grumagruma.
grumagruma 1) znw. wasplank. Tide mi wasi krosi nanga a grumagruma. Vandaag waste ik kleren op een wasplank. syn: was'uma. Morph.: redup.
2) ww. schrobben. Var.: gruma.
grun bnw. groen. gen: kloru1.
grun bana groen banaan. Zie trefwoord: grun bana.
grunpesi znw. groene erwten. Zie: pesi.
gruntu znw. groenten. spec: bitawiwiri; gomawiwiri; supuwiwiri; tayawiwiri. Van: NL. Etym.: groenten .
grupu znw. groep.
gudu 1) znw. rijkdom, schat, goederen, vermogen, kapitaal. Den fufuruman tyari ala mi gudu gwe. De dieven hebben al mijn bezittingen meegenomen. Van: NL. Etym.: goederen .
mi gudu gezegde. mijn schat, lieveling, geliefde. Fa fu mi gudu? Hoe gaat het met mijn schatje?
2) bw. rijk, dierbaar. A man dati mus fu gudu. Luku a oso san a e bow. Die man moet rijk zijn. Kijk naar het huis dat hij bouwt. ant: pôti.
guduman znw. rijkaard. syn: gudusma; ant: pôtiman.
gudusma Zie trefwoord: guduman.
guyaba znw. gujave (vruchtsoort). Psidium guajava (Myrtaceae).
gwasi znw. melaats(heid), lepra. Zie: kokobe. Var.: gwasisiki; bwasi.
gwasiman znw. melaatse; lepralijder. syn: kokobesma. Var.: bwasiman.
gwasisiki Zie trefwoord: gwasi. znw. melaats(heid), lepra.
gwe 1) ww. weggaan, vertrekken. Di mamanten mi gwe go te na foto e suku dresi. Vanmorgen ben ik helemaal naar de stad geweest om medicijn te zoeken (lett: ben ik weggegaan naar de stad...) Var.: gowe. Van: Eng. Etym.: go away .
Gwe! vw. Weg!
2) bw. weg, verdwenen. Di mamanten mi poti nyansani ini a kasi. Ma di mi drai baka, dan ala sani gwe. Vanmorgen heb ik etenswaren in de kast gestopt. Maar toen ik terug kwam was alles verdwenen. Sensi mamanten mi brada gwe. Mijn broeder is sinds vanmorgen weg.
3) ww. wordt gebruikt met andere werkwoorden met de betekenis van 'weg', b.v. seni gwe 'wegsturen', tyari gwe 'wegbrengen'.
4) ww. heengaan, sterven (eufemisme). Pôti André, a gwe. Arme André. Hij is er niet meer.
gwenti 1) znw. gewoonte. Un no abi a gwenti fu nyan aleisi nanga wan forku. We zijn niet gewoon om rijst met een vork te eten. Van: NL. Etym.: gewend .
2) ww. wennen, aanwennen, gewoon zijn. A pikin mus kon gwenti mi. Het kind moet nog aan me wennen. ant: lasi gwenti.
lasi gwenti gezegde. ontwennen. A pikin kon lasi gwenti fu mi. Het kind is me ontwend. Spelling variation: las' gwenti
Copyright © 2003